verontschuldigen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·ont·schul·di·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het verouderde werkwoord ontschuldigen met het voorvoegsel ver-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verontschuldigen
verontschuldigde
verontschuldigd
zwak -d volledig

Werkwoord

verontschuldigen

  1. (wederkerend) spijt betuigen en excuus vragen
    Hij verontschuldigde zich voor de gedane uitlatingen.
  2. (wederkerend) spijt betuigend meedelen dat men niet kan komen of juist weg moet gaan
    Wegens drukke werkzaamheden moest hij zich helaas verontschuldigen.
  3. (overgankelijk) vrijpleiten van schuld
    De vaagheid van een strafbepaling verontschuldigt de overtreder niet.