vermomde
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- ver·mom·de
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| vermommen |
vermomde
- enkelvoud verleden tijd van vermommen
- Ik vermomde.
- Jij vermomde.
- Hij, zij, het vermomde.
- Ik vermomde.
| vervoeging van |
|---|
| vermommen |
vermomde