vermomde

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·mom·de

Werkwoord

vervoeging van
vermommen

vermomde

  1. enkelvoud verleden tijd van vermommen
    Ik vermomde.
    Jij vermomde.
    Hij, zij, het vermomde.