verloochen
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- ver·loo·chen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| verloochenen |
verloochen
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verloochenen
- Ik verloochen.
- gebiedende wijs van verloochenen
- Verloochen!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verloochenen
- Verloochen je?