verhoog

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Woordafbreking
  • ver·hoog
enkelvoud meervoud
naamwoord verhoog verhogen
verkleinwoord verhoogje verhoogjes

Zelfstandig naamwoord

verhoog o

  1. een verhoogde plaats, een podium
    Zij was op het verhoog gaan staan om beter de mensen te kunnen toespreken.

Werkwoord

vervoeging van
verhogen

verhoog

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verhogen
    Ik verhoog.
  2. gebiedende wijs van verhogen
    Verhoog!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verhogen
    Verhoog je?