verheugen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ver·heu·gen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| verheugen |
verheugde |
verheugd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
verheugen
- (wederkerend) zich ~: blijdschap ervaren
- Hij verheugde zich enorm toen zij onverwachts belde.
- (wederkerend) zich ~ op: reikhalzend uitzien naar iets
- Hij verheugde zich op haar aangekondigde bezoek.
- (overgankelijk) iemand ~ vreugde bereiden
- Hij verheugde zijn moeder met een onverwacht bezoekje.
Vertalingen
1. zich ~: blijdschap ervaren
2. zich ~ op: reikhalzend uitzien naar iets