vergezellen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: vergezellen (hulp, bestand)
Woordafbreking
- ver·ge·zel·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| vergezellen |
vergezelde |
vergezeld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
vergezellen
- (overgankelijk) met iemand meegaan
- De scholier werd vergezeld door zijn grootouders.