verdeel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·deel

Werkwoord

vervoeging van
verdelen

verdeel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verdelen
    Ik verdeel.
  2. gebiedende wijs van verdelen
    Verdeel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verdelen
    Verdeel je?