verbrijzelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·brij·ze·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verbrijzelen
verbrijzelde
verbrijzeld
zwak -d volledig

Werkwoord

verbrijzelen

  1. (overgankelijk) in vele kleine brokstukken breken
    Met een slag van zijn moker verbrijzelde de bruut het been van zijn slachtoffer.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen