verbrijzelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ver·brij·ze·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| verbrijzelen |
verbrijzelde |
verbrijzeld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
verbrijzelen
- (overgankelijk) in vele kleine brokstukken breken
- Met een slag van zijn moker verbrijzelde de bruut het been van zijn slachtoffer.