verbreken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ver·bre·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| verbreken |
verbrak |
verbroken |
| klasse 4 | volledig | |
Werkwoord
verbreken
- (overgankelijk) een einde maken aan een bestaande verbinding
- Hij aarzelde het zegel te verbreken.