vatten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vat·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vatten
/vɑtə(n)/
vatte
/vɑtə/
gevat
(NL) /ɣəvɑt/
(VL) /ʝəvɑt/
zwak -t volledig

Werkwoord

vatten

  1. vastgrijpen
    Hij vat de dief bij de kraag.
  2. begrijpen
    Vat je het?
  3. beetkrijgen
    De boef werd gevat en meteen opgesloten.
  4. opdoen
    Straks vat je nog kou zonder jas!
Uitdrukkingen en gezegden
  • kou vatten
een verkoudheid opdoen
  • vuur vatten
in brand vliegen
Vertalingen


Zweeds

Zelfstandig naamwoord

vatten o

  1. water
Verbuiging
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen