vastzitten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vast·zit·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vastzitten
zat vast
vastgezeten
klasse 5 volledig

Werkwoord

vastzitten

  1. (absoluut) onbeweeglijk gehouden worden
    Die schroef zat erg vast, maar we hebben hem uiteindelijk toch losgekregen.
Antoniemen
Vertalingen