vastleggen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- vast·leg·gen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| vastleggen |
legde vast |
vastgelegd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
vastleggen
- (overgankelijk) bewaren van gegevens
- Hij had het ongeluk op film vastgelegd.
- (overgankelijk) ervoor zorgen dat iets vastzit aan iets anders
- Je kunt de hond beter vastleggen voordat je de winkel ingaat.
- (wederkerend) een contract aangaan
- De jonge voetballer had zich vastgelegd om de komende tien jaar bij de profclub te blijven.