vasthouden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- vast·hou·den
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| vasthouden |
hield vast |
vastgehouden |
| klasse 7 | volledig | |
Werkwoord
vasthouden
- (overgankelijk) beletten dat iets losgaat
- Hij hield de hamer stevig vast.