vasten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vas·ten
enkelvoud meervoud
naamwoord vasten -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

vasten m

  1. een tijd waarin men zich meest om religieuze redenen bepaalde zaken, veelal voedsel, ontzegt
    Tijdens de vasten was hij door ziekte genoopt van zijn gelofte af te zien.
Vertalingen


stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vasten
vastte
gevast
zwak -t volledig

Werkwoord

vasten

  1. (inergatief) zich onthouden van voedsel
    Hij vastte soms een dag.
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

vasten
  1. verouderde spelling of vorm van vaste van vóór 1946/47 Gold voor accusatief m enk.