vakantie
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- va·kan·tie
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | vakantie | vakanties |
| verkleinwoord | vakantietje | vakantietjes |
Zelfstandig naamwoord
vakantie v
- een jaarlijkse vrije tijd voor personen in verschillende beroepen en voor leerlingen
- Wij hebben vanaf morgen vakantie!
- een reis in de vakantie
- Wij gaan op vakantie naar Kreta.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. een jaarlijkse vrije tijd voor personen in verschillende beroepen en voor leerlingen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.