vakantie

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • va·kan·tie
enkelvoud meervoud
naamwoord vakantie vakanties
verkleinwoord vakantietje vakantietjes

Zelfstandig naamwoord

vakantie v

  1. een jaarlijkse vrije tijd voor personen in verschillende beroepen en voor leerlingen
    Wij hebben vanaf morgen vakantie!
  2. een reis in de vakantie
    Wij gaan op vakantie naar Kreta.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen