vaccin

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vac·cin
enkelvoud meervoud
naamwoord vaccin vaccins
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vaccin o

  1. (medisch) een entstof om afweer op te bouwen
Vertalingen


Frans

Uitspraak
  • IPA: /vak.sɛ̃/
Woordafbreking
  • vac·cin
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  vaccin     le vaccin     vaccins     les vaccin  

Zelfstandig naamwoord

vaccin m

  1. (medisch) vaccin
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen