vaardig af
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- vaar·dig af
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| afvaardigen |
vaardig af
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afvaardigen
- Ik vaardig af.
- gebiedende wijs van afvaardigen
- Vaardig af!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afvaardigen
- Vaardig je af?