vaar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vaar

Werkwoord

vervoeging van
varen

vaar

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van varen
    Ik vaar.
  2. gebiedende wijs van varen
    Vaar!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van varen
    Vaar je?


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /vaːɐ(r)/

Zelfstandig naamwoord

vaar m

  1. (familie) vader.
  2. beschermer
  3. God
Verbuiging
Synoniemen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen