uitzending
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- uit·zen·ding
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | uitzending | uitzendingen |
| verkleinwoord | uitzendinkje | uitzendinkjes |
Zelfstandig naamwoord
uitzending v
- (media) het uitzenden van een programma van radio of televisie
- De uitzending werd onderbroken om het schokkende nieuws te melden.
- het zenden van een persoon naar een verre post
- Zijn uitzending naar de oerwouden van Papoea-Nieuw-Guinea had veel voeten in de aarde.