turen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- tu·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| turen |
tuurde |
getuurd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
turen
- (inergatief) aandachtig, onderzoekend naar iets kijken
- Met een verrekijker tuurt hij naar de vogels.
- Kapitein Smit knijpt zijn ogen tot spleetjes en tuurt over de zee.[1]
Verwijzingen
- ↑ Sandra Klaassen, Maria van Donkelaar, en Martine van Rooijen. 2002. Zeemeerminnen, zeeschuimers en schuimkoppen. Rotterdam: Lemniscaat.
Noors
Woordafbreking
- tu·ren
Zelfstandig naamwoord
turen m
- bepaalde vorm nominatief enkelvoud van tur (betekenis [A] + [B])
Zelfstandig naamwoord
turen m
- bepaalde vorm nominatief enkelvoud van ture
Nynorsk
Woordafbreking
- tu·ren
Zelfstandig naamwoord
turen m
- bepaalde vorm nominatief enkelvoud van tur (betekenis [A] + [B] + [C])
Zelfstandig naamwoord
turen m
- bepaalde vorm nominatief enkelvoud van tur (betekenis [D])