tuba

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een tuba.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tu·ba
enkelvoud meervoud
naamwoord tuba tuba's
verkleinwoord tubaatje tubaatjes

Zelfstandig naamwoord

tuba m

  1. (muziekinstrument) een koperen blaasinstrument met lage toon
  2. (medisch) een buis met een trompetvormige opening, zoals de eileider (tuba uterina of tuba Falloppi) en de buis van Eustachius (tuba auditiva)
Synoniemen
Overerving en ontlening
Vertalingen

Meer informatie


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
tuba tubas

Zelfstandig naamwoord

tuba

  1. (muziekinstrument) tuba
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen


Indonesisch

Woordafbreking
  • tu·ba
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

tuba

  1. derris, vlinderbloemige liaan (Derris elliptica Wikispecies-logo-en.png)
  2. vissengif dat uit de wortels van de derris wordt gemaakt
  3. (muziekinstrument) tuba
  4. (medisch) tuba, aanduiding voor een buisvormig orgaan


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • tu·ba

Zelfstandig naamwoord

tuba m

  1. (muziekinstrument) tuba
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   tuba     tubaen     tubaer     tubaene  
genitief   tubas     tubaens     tubaers     tubaenes  
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • tu·ba

Zelfstandig naamwoord

tuba m

  1. (muziekinstrument) tuba
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   tuba     tubaen     tubaer     tubaene  
genitief                
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • hud

Zelfstandig naamwoord

tuba g

  1. (muziekinstrument) tuba
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   tuba     tuban     tubor     tuborna  
genitief   tubas     tubans     tubors     tubornas  



Spaans

enkelvoud meervoud
tuba tubas

Zelfstandig naamwoord

tuba v

  1. (muziekinstrument) tuba