trui

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een trui.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trui
enkelvoud meervoud
naamwoord trui truien
verkleinwoord truitje truitjes

Zelfstandig naamwoord

trui v/m

  1. (kleding) een warm kledingstuk voor over het bovenlichaam
    Hij trok snel een trui aan tegen de kou.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie