trots
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- trots
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | trots | trotser | trotst |
| verbogen | trotse | trotsere | trotste |
Bijvoeglijk naamwoord
trots
- erg blij met wat men (bereikt) heeft
Vertalingen
1. erg blij met wat men (bereikt) heeft
Voorzetsel
trots
- ondanks.
Vertalingen
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | trots | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
trots m
- denken dat men beter is dan anderen
- het gevoel dat men wil pronken met wat men heeft of doet