triade
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- tri·a·de
Woordherkomst en -opbouw
- afgeleid van het Griekse 'trias' (2e nv. triados) (het getal drie, drietal) met het voorvoegsel tri- [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | triade | triades |
| verkleinwoord | triadetje | triadetjes |
Zelfstandig naamwoord
triade v
- drie personen of zaken die bij elkaar horen
- (godsdienst) drie goden of goddelijke personen
- (scheikunde) drie elementen van het periodiek systeem die bij elkaar horen
- (psychologie) een driehoeksrelatie
- een Japanse criminele organisatie
Synoniemen
- [2] triniteit , drieëenheid
Vertalingen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.