trekker

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trek·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord trekker trekkers
verkleinwoord trekkertje trekkertjes

Zelfstandig naamwoord

trekker m

  1. (verkeer) een truck
  2. (verkeer) (informeel) een tractor
  3. een vuurwapenhendel
  4. een trekvogel
  5. iemand die een trektocht maakt
  6. een publiekstrekker
  7. een rubber veger
  8. iemand die een wissel afgeeft
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • trek·ker
Woordherkomst en -opbouw
Naar frequentie 121809

Werkwoord

trekker

  1. tegenwoordige tijd van trekke
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   trekker     trekkeren     trekkere     trekkerne  
genitief   trekkers     trekkerens     trekkeres     trekkernes  

Zelfstandig naamwoord

trekker

  1. een gereedschaap waarmee men iets trekt, bijv. een kurkentrekker


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ta·ler
Woordherkomst en -opbouw
Naar frequentie 1475

Werkwoord

trekker

  1. tegenwoordige tijd van trekke
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   trekker     trekkeren     trekkere     trekkerne  
genitief   trekkers     trekkerens     trekkeres     trekkernes  

Zelfstandig naamwoord

trekker

    1. een gereedschaap waarmee men iets trekt, bijv. een kurkentrekker
Afgeleide begrippen


Nynorsk

Woordafbreking
  • trek·ker

Werkwoord

trekker

  1. tegenwoordige tijd van trekka
Schrijfwijzen

Werkwoord

trekker

  1. tegenwoordige tijd van trekke
Schrijfwijzen

Zelfstandig naamwoord

trekker, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van trekk