trapper

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trap·per
enkelvoud meervoud
naamwoord trapper trappers
verkleinwoord trappertje trappertjes

Zelfstandig naamwoord

trapper m

  1. een uitsteeksel aan een toestel of voertuig bedoeld om met de voet op te trappen
    Hij ging eens flink op de trappers staan.


Noors

Woordafbreking
  • trap·per

Werkwoord

trapper

  1. tegenwoordige tijd van trappe

Frase

  • trapper ned
  • trapper opp
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen