trap

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Een trap.
[2] Een grote trap.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trap
enkelvoud meervoud
naamwoord trap trappen
verkleinwoord trapje trapjes

Zelfstandig naamwoord

trap m

  1. een verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen, bestaande uit een reeks treden die zich (schuin) boven elkaar bevinden
    Hij liep de trap op.
  2. (vogels) een vogel uit de familie Otididae
    De grote en de kleine trap worden in de Lage Landen niet vaak waargenomen.
  3. een schop, een stoot met de benen
    Hij gaf de bal een veel te harde trap.
  4. de onderdelen van een duikuitrusting die de druk van de perslucht terugbrengen naar normale druk om te ademen.
  5. mate van ontwikkeling
    Op deze trap van ontwikkeling vormen de arbeiders een over het gehele land verstrooide en door de concurrentie verbrokkelde massa [1]
  6. (muziek) een functie of akkoord in een akkoordreeks -> klanktrap, toontrap
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
trappen

trap

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trappen
    Ik trap.
  2. gebiedende wijs van trappen
    Trap!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trappen
    Trap je?

Meer informatie

Verwijzingen
  1. Het Communistisch Manifest


Engels

enkelvoud meervoud
trap traps

Zelfstandig naamwoord

trap

  1. val (voor het vangen van dieren)


Kroatisch

Zelfstandig naamwoord

trap

  1. trap (een verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen, bestaande uit een reeks treden die zich schuin boven elkaar bevinden)