trap
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- trap
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | trap | trappen |
| verkleinwoord | trapje | trapjes |
Zelfstandig naamwoord
trap m
- een verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen, bestaande uit een reeks treden die zich (schuin) boven elkaar bevinden
- Hij liep de trap op.
- (vogels) een vogel uit de familie Otididae
- De grote en de kleine trap worden in de Lage Landen niet vaak waargenomen.
- een schop, een stoot met de benen
- Hij gaf de bal een veel te harde trap.
- de onderdelen van een duikuitrusting die de druk van de perslucht terugbrengen naar normale druk om te ademen.
Synoniemen
- [3] schop
Vertalingen
1. een verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen, bestaande uit een reeks treden die zich schuin boven elkaar bevinden
2. een vogel uit de familie Otididae
3. een schop, een stoot met de benen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| trappen |
trap
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trappen
- Ik trap.
- gebiedende wijs van trappen
- Trap!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trappen
- Trap je?
Engels
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| trap | traps |
Zelfstandig naamwoord
trap
- val (voor het vangen van dieren)
Kroatisch
Zelfstandig naamwoord
trap
- trap (een verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen, bestaande uit een reeks treden die zich schuin boven elkaar bevinden)