trap

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

grote trap
Uitspraak
Woordafbreking
  • trap
enkelvoud meervoud
naamwoord trap trappen
verkleinwoord trapje trapjes

Zelfstandig naamwoord

trap m

  1. een reeks treden die naar een hogere plaats voert.
    Hij liep de trap op.
  2. (dierkunde) een vogel uit de Otididae.
    De grote en de kleine trap worden in de Lage Landen niet vaak waargenomen.
  3. schop, stoot met de benen.
    Hij gaf de bal een veel te harde trap.
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
trappen

trap

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trappen
    Ik trap.
  2. gebiedende wijs van trappen
    Trap!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trappen
    Trap je?

Meer informatie


Engels

Woordafbreking
  • trap

Zelfstandig naamwoord

trap

  1. val (voor het vangen van dieren).
Persoonlijke instellingen