tralie

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tra·lie
enkelvoud meervoud
naamwoord tralie traliën, tralies
verkleinwoord tralietje tralietjes

Zelfstandig naamwoord

tralie v

  1. een houten of metalen spijl waarmee een opening wordt afgesloten
    De dief wist te ontsnappen door de tralies door te zagen.

Werkwoord

vervoeging van
traliën

tralie

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van traliën
    Ik tralie.
  2. gebiedende wijs van traliën
    Tralie!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van traliën
    Tralie je?
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen