tralie

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tra·lie
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tralie traliën
tralies
verkleinwoord tralietje tralietjes

Zelfstandig naamwoord

tralie [2]

  1. v een houten of metalen spijl waarmee een opening wordt afgesloten
    De dief wist te ontsnappen door de tralies door te zagen.
  2. o v (natuurkunde) (optica) een plaatje met een groot aantal parallelle lijnen erop dat diffractie vertoont voor licht
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
traliën

tralie

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van traliën
    Ik tralie.
  2. gebiedende wijs van traliën
    Tralie!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van traliën
    Tralie je?


Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal