tralie
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- tra·lie
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | tralie | traliën tralies |
| verkleinwoord | tralietje | tralietjes |
Zelfstandig naamwoord
tralie [2]
- v een houten of metalen spijl waarmee een opening wordt afgesloten
- De dief wist te ontsnappen door de tralies door te zagen.
- o v (natuurkunde) (optica) een plaatje met een groot aantal parallelle lijnen erop dat diffractie vertoont voor licht
Afgeleide begrippen
Vertalingen
2. glazen of metalen plaat
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| traliën |
tralie
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van traliën
- Ik tralie.
- gebiedende wijs van traliën
- Tralie!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van traliën
- Tralie je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.