training
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- trai·ning
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | training | trainingen |
| verkleinwoord | traininkje | traininkjes |
training v
- een oefening.
- Kom je ook naar de training op zaterdag?
Vertalingen
1. een oefening
Engels
Zelfstandig naamwoord
training