train

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Woordafbreking
  • train

Werkwoord

vervoeging van
trainen

train

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trainen
    Ik train.
  2. gebiedende wijs van trainen
    Train!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trainen
    Train je?


Engels

enkelvoud meervoud
train trains

Zelfstandig naamwoord

train

  1. trein
    «We rode the train to London.»
    We reden met de trein naar Londen.
vervoeging
onbepaalde wijs to train
he/she/it trains
verleden tijd trained
voltooid
deelwoord
trained
onvoltooid
deelwoord
training
gebiedende wijs train

Werkwoord

train

  1. oefenen
    «You will need to train more if you want to be better.»
    Je zult meer moeten oefenen als je beter wilt zijn.
  2. trainen
    «She trained seven hours a day to prepare for the Olympics.»
    Ze trainde zeven uur per dag om zich op de Olympische Spelen voor te bereiden.


Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  train     le train     trains     les trains  

Zelfstandig naamwoord

train m

  1. trein
    «Le train s'est arrêté.»
    De trein is gestopt.
  2. vaart, gang
    «Au train dont nous allons, nous ne tarderons pas à les dépasser.»
    Met de vaart waarmee we gaan, zullen we hen spoedig voorbijsteken.
Uitdrukkingen en gezegden
  • à fond de train
    • in volle vaart
  • aller son train
    • zijn gang gaan
  • au train où vont les choses
    • als de dingen zo doorgaan
  • être en train
    • op dreef zijn
  • être en train de ...
    • bezig zijn met ... / aan het ... zijn
  • mener quelqu'un bon train
    • iemand niet sparen
  • mettre en train
    • in gang brengen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen