tong

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
De tong van een hond.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tong
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: tonghe
Oudnederlands: tunga
Germaans: *tungōn
Indo-Europees: *dn̥ǵʰwéh₂s
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: tongue (Angelsaksisch: tunge), Duits: Zunge, (Oudhoogduits: zunga), Fries: tonge, tunge (Oudfries: tunge)
Noord: Zweeds/IJslands/Faeröers: tunga, Deens/Noors: tunge, (Oudnoors: tunga)
Oost: Gotisch: tuggō
enkelvoud meervoud
naamwoord tong tongen
verkleinwoord tongetje tongetjes

Zelfstandig naamwoord

tong v/m

  1. (anatomie) beweeglijk lichaamsdeel in de mond; wordt gebruikt bij het spreken, proeven, kauwen en slikken en het schoonhouden van het gebit
    De brutale jongen stak zijn tong uit naar de agent.
  2. wat gesproken wordt
    De tong van die streek is moeilijk te verstaan.
  3. wat de vorm van een tong (1) heeft, bijvoorbeeld een landtong of de tong van een schoen
    De landtong loopt een heel eind in de oceaan.
  4. een om zijn verfijnde smaak gewilde soort van platvis (Solea solea)
    In het restaurant bestelde de man altijd tong.
  5. bij een slot: dat gedeelte van de schieter dat naar buiten komt
  6. onderdeel van een muziekinstrument
    Een doorslaande tong is een strip van metaal, die in een precies passend frame vastgeklonken wordt.
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
tongen

tong

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tongen
    Ik tong.
  2. gebiedende wijs van tongen
    Tong!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tongen
    Tong je?

Meer informatie


Afrikaans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

tong

  1. (anatomie) tong
  2. tong, taal


Fries

Zelfstandig naamwoord

tong g

  1. platvis