tolken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tol·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
tolken
tolkte
getolkt
zwak -t volledig

Werkwoord

tolken

  1. (inergatief) gesproken- of gebarentaal terstond vertalen
    De radiotoespraak wordt in het Fins uitgesproken, is er iemand nodig die Fins-Nederlands kan tolken.
Synoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

tolken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord tolk
Vertalingen

Meer informatie