tikken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- tik·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| tikken |
tikte |
getikt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
tikken
- (overgankelijk) een of meer keren een niet harde slag of klap geven
- Hou toch eens op met tikken!
- (klanknabootsing) het regelmatige, korte maar energieke geluid van zo'n slag of klap
- Het tikken van de wekker houdt me uit mijn slaap.
- (overgankelijk) typen
- Kun jij die brief even tikken?
Uitdrukkingen en gezegden
- [1]: iemand op de vingers tikken
iemand berispen
- [2]: zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens
oost west, thuis best
Vertalingen
iemand op de vingers tikken
|
Zelfstandig naamwoord
tikken mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord tik