test
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
- 1. test (proef), de (m.), tests
- 2. test (voorwerpsnaam), de testen
Woordafbreking
- test
Woordherkomst en -opbouw
- Engels
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | test | testen |
| verkleinwoord | testje | testjes |
Zelfstandig naamwoord
test m
- probeersel
- praktische controle op een bepaalde eigenschap.
- toets, examen.
Vertalingen
3. toets
Werkwoord
test
-
- eerste persoon enkelvoud en gebiedende wijs van het werkwoord testen.
Engels
Zelfstandig naamwoord
test ; test
- praktische controle op een bepaalde eigenschap.
Werkwoord
test ; aan een test blootstellen