terugvallen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·rug·val·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
terugvallen
viel terug
teruggevallen
klasse 7 volledig

Werkwoord

terugvallen

  1. (ergatief) een bereikte hogere positie weer op moeten geven
    Hij was de glibberige rots een stukje opgeklommen maar hij gleed uit en viel terug.
  2. (ergatief) figuurlijk een bereikte hogere positie weer op moeten geven
    Door dat oponthoud was hij flink op de ranglijst teruggevallen.