terugtreden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- te·rug·tre·den
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| terugtreden |
trad terug |
teruggetreden |
| klasse 5 | volledig | |
Werkwoord
terugtreden
- (ergatief) een ambt of positie opgeven
- Hij was om gezondheidsredenen teruggetreden als aartsbisschop.