terugtocht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·rug·tocht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord terugtocht terugtochten
verkleinwoord terugtochtje terugtochtjes

Zelfstandig naamwoord

terugtocht m

  1. de tocht terug naar een eerder beginpunt
    Na drie weken door Zweden getrokken te hebben beginnen we morgen aan de terugtocht.
Vertalingen