termijn
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ter·mijn
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | termijn | termijnen |
| verkleinwoord | termijntje | termijntjes |
Zelfstandig naamwoord
termijn m
- een vast tijdstip waarop iets gaat gebeuren of iets gebeurd moet zijn
- Daar is een termijn voor gesteld.
- een begrensde tijdruimte waarin iets moet gebeuren
- Je hebt een termijn van 11 uur.
- een gedeelte van de schuld dat binnen een vaste periode betaald moet worden
- Wij doen helaas niet aan afbetaling in termijnen.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- op korte termijn
- op termijn
Vertalingen
1. een vast tijdstip waarop iets gaat gebeuren of iets gebeurd moet zijn
op korte termijn
op termijn