tering

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·ring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tering -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

tering v

  1. consumptieve uitgaven
    Hij was gedongen de tering naar de nering te zetten.
  2. (geschiedenis), (medisch) een verzamelnaam voor ziektes zoals tuberculose en kanker die een dodelijke afloop hadden
    Men leefde in angst voor de tering.