temperen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- tem·pe·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| temperen |
temperde |
getemperd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
temperen
- (overgankelijk) minder krachtig maken
- Hij temperde het vuur door de klep van de schoorsteen wat dichter te doen.
- (overgankelijk) (techniek) een gestolde massa in een matig heet vuur nagloeien
- Door het pasgeblazen glas nog wat te temperen worden de inwendige spanningen verminderd.
- (overgankelijk) overdrachtelijk: minder hevig maken
- Beide partijen hebben hun uitspraken wat getemperd en er is duidelijk sprake van een politieke toenadering.
Synoniemen
- [1,3] matigen
Antoniemen
- [2] afschrikken