temperen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tem·pe·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
temperen
temperde
getemperd
zwak -d volledig

Werkwoord

temperen

  1. (overgankelijk) minder krachtig maken
    Hij temperde het vuur door de klep van de schoorsteen wat dichter te doen.
  2. (overgankelijk) (techniek) een gestolde massa in een matig heet vuur nagloeien
    Door het pasgeblazen glas nog wat te temperen worden de inwendige spanningen verminderd.
  3. (overgankelijk) overdrachtelijk: minder hevig maken
    Beide partijen hebben hun uitspraken wat getemperd en er is duidelijk sprake van een politieke toenadering.
Synoniemen
Antoniemen