telefoneer
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- te·le·fo·neer
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| telefoneren |
telefoneer
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van telefoneren
- Ik telefoneer.
- gebiedende wijs van telefoneren
- Telefoneer!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van telefoneren
- Telefoneer je?