teisteren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- teis·te·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| teisteren |
teisterde |
geteisterd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
teisteren
- (overgankelijk) grote schade toebrengen
- Het land werd geteisterd door meerdere plagen tegelijk, een aardbeving, een vloedgolf en vervolgens een kernramp.