teisteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • teis·te·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
teisteren
teisterde
geteisterd
zwak -d volledig

Werkwoord

teisteren

  1. (overgankelijk) grote schade toebrengen
    Het land werd geteisterd door meerdere plagen tegelijk, een aardbeving, een vloedgolf en vervolgens een kernramp.