tegenval

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Woordafbreking
  • te·gen·val

Werkwoord

vervoeging van
tegenvallen

tegenval

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tegenvallen
    ... dat ik tegenval.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen