teer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • teer
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van Germaans *terwo-, wat waarschijnlijk afkomstig is van *trewo- ( zie ook het Engelse 'tree'), van het Indo-Europese *drew ‘boom’. Cognaat van o.a. het Engelse tar, Duitse Teer en Zweedse tjära.
enkelvoud meervoud
naamwoord teer
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

teer m/o

  1. een olieachtige vloeistof met een zeer hoge viscositeit
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen teer teerder teerst
verbogen tere teerdere teerste

Bijvoeglijk naamwoord

teer

  1. broos, breekbaar
    Dat zijn zeer tere bloemen.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
teren

teer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van teren
    Ik teer.
  2. gebiedende wijs van teren
    Teer!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van teren
    Teer je?