teer
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- teer
Woordherkomst en -opbouw
- Afkomstig van Germaans *terwo-, wat waarschijnlijk afkomstig is van *trewo- ( zie ook het Engelse 'tree'), van het Indo-Europese *drew ‘boom’. Cognaat van o.a. het Engelse tar, Duitse Teer en Zweedse tjära.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | teer | |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
- een olieachtige vloeistof met een zeer hoge viscositeit
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. een olieachtige vloeistof met een zeer hoge viscositeit
te controleren vertalingen
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | teer | teerder | teerst |
| verbogen | tere | teerdere | teerste |
Bijvoeglijk naamwoord
teer
- broos, breekbaar
- Dat zijn zeer tere bloemen.
Vertalingen
1. broos, breekbaar
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| teren |
teer