taxi
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- onverdeeld, behoudens: taxi·tje
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | taxi | taxi's |
| verkleinwoord | taxietje | taxietjes |
Zelfstandig naamwoord
taxi
- (verkeer) een voertuig bestemd om tegen betaling klanten van de ene plaats naar de andere te brengen
- Ik heb maar een taxi genomen.
Vertalingen
1. een voertuig bestemd om tegen betaling klanten van de ene plaats naar de andere te brengen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| taxiën |
taxi
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van taxiën
- Ik taxi.
- gebiedende wijs van taxiën
- Taxi!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van taxiën
- Taxi je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Noors
Uitspraak
Woordafbreking
- ta·xi
Woordherkomst en -opbouw
| Naar frequentie | 2518 |
|---|
Zelfstandig naamwoord
taxi m
Verbuiging
| m | enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | taxi | taxien | taxier | taxiene |
| genitief | taxis | taxiens | taxiers | taxienes |
Synoniemen
Typische woordcombinaties
- bestille taxi
een taxi bestellen
Nynorsk
Uitspraak
Woordafbreking
- ta·xi
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | taxi | taxien | taxiar | taxiane |
Zelfstandig naamwoord
taxi m
Synoniemen
Spaans
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| taxi | taxis |
Zelfstandig naamwoord
taxi m
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Verkeer in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woorden in het Noors
- Zelfstandig naamwoord in het Noors
- Verkeer in het Noors
- Woorden in het Nynorsk
- Zelfstandig naamwoord in het Nynorsk
- Verkeer in het Nynorsk
- Woorden in het Spaans
- Zelfstandig naamwoord in het Spaans
- Verkeer in het Spaans