tanga

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tan·ga
enkelvoud meervoud
naamwoord tanga -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tanga v/m

  1. hoog uitgesneden slip (onderbroek)
  2. één honderdste van de roebel van Tadzjikistan, die tot 2000 werd gebruikt
Synoniemen
Vertalingen


Catalaans

Zelfstandig naamwoord

tanga v

  1. tanga


Engels

Zelfstandig naamwoord

tanga

  1. tanga


Kiribatisch

Werkwoord

tanga - toegeven; toestaan / erkennen

  1. tanga - verlaten; weggaan (van) / in de steek laten, laten vallen
  2. tanga - niet in de mogelijkheid zijn om zich te verweren, niet bestendig zijn


Noors

Zelfstandig naamwoord

tanga

  1. tanga


Portugees

enkelvoud meervoud
tanga tangas

Zelfstandig naamwoord

tanga v

  1. tanga


Spaans

enkelvoud meervoud
tanga tangas

Zelfstandig naamwoord

tanga v

  1. tanga


Tagalog

Zelfstandig naamwoord

tanga

  1. dwaas

Bijvoeglijk naamwoord

tanga

  1. dom
  2. lichtgelovig
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen