tang

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een (combinatie-) tang

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tang
enkelvoud meervoud
naamwoord tang tangen
verkleinwoord tangetje tangetjes

Zelfstandig naamwoord

tang v/m

  1. (gereedschap) een uit twee delen opgebouwd gereedschap waarvan de beide delen op een punt aan elkaar vastzitten en die gedraaid kunnen worden om dingen vast te houden of de knippen
    Zou ik jouw tang even mogen lenen?
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Spreekwoorden
  • als een tang op een varken slaan
    nergens op slaan
Overerving en ontlening
Vertalingen


Indonesisch

Woordafbreking
  • tang
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

tang

  1. (gereedschap) tang