tandwiel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- tand·wiel
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | tandwiel | tandwielen |
| verkleinwoord | tandwieltje | tandwieltjes |
Zelfstandig naamwoord
tandwiel o
- een wiel met een gekartelde rand bedoeld om in te grijpen in die van een ander ter overdracht van aandrijfkracht
- Dit mechaniek bestaat uit een aantal tandwielen.
Vertalingen
1. een wiel met een gekartelde rand bedoeld om in te grijpen in die van een ander ter overdracht van aandrijfkracht
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.