tand

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord tand tanden
verkleinwoord tandje tandjes

Zelfstandig naamwoord

tand m

  1. (anatomie) Een hard, wit voorwerp in de mond, meestal in 2 horizontale rijen aanwezig (één in elke kaak) en algemeen gebruikt om te eten.
  2. Een scherp uitsteeksel aan voorwerpen (bijvoorbeeld aan zagen of tandwielen).
Synoniemen
Spreekwoorden
  • Aan de tand voelen.
Naar kennis of kunde onderzoek doen (oorspronkelijk: de leeftijd en gezondheid van paarden onderzoeken).
  • De tand des tijds.
De verwoesting waar alle voorwerpen op den duur onder lijden.
  • Een tandje minder zetten.
(Bij wielrennen) terugschakelen naar een lagere versnelling.
  • Haar op de tanden hebben.
Bazig zijn.
  • Met de mond vol tanden staan.
Niet weten wat te zeggen.
  • Met lange tanden eten.
Met tegenzin eten.
  • Op de tanden bijten.
Zich bedwingen om zijn gevoelens niet te tonen.
  • Tot de tanden gewapend zijn.
Helemaal bewapend zijn
  • Van de hand in de tand leven.
Niet sparen, maar het verdiende meteen opmaken.
  • Zijn tanden in iets zetten.
Zich intensief met iets bezig (gaan) houden.
  • Zijn tanden op iets stuk bijten.
Ondanks alle inspanning iets niet bereiken.
Vertalingen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Meer informatie


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • tand

Zelfstandig naamwoord

tand g

  1. tand
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   tand     tanden     tänder     tänderna  
genitief   tand     tanden     tänder     tänderna  
Persoonlijke instellingen