tafel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ta·fel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | tafel | tafels,tafelen |
| verkleinwoord | tafeltje | tafeltjes |
Zelfstandig naamwoord
- een meubelstuk met een of meer poten, bedoeld om dingen op te zetten
- Zullen we de tafel buiten zetten? Dan kunnen we vanavond buiten eten.
- (verouderd), tabel
- In de lagere school leert men de tafels van vermenigvuldiging
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Iets van tafel vegen.
Vertalingen
1. meubelstuk met een of meer poten, bedoeld om dingen op te zetten
|
|
iets van tafel vegen
|
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| tafelen |
tafel
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tafelen
- Ik tafel.
- gebiedende wijs van tafelen
- Tafel!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tafelen
- Tafel je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.