tafel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een tafel met stoelen.

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ta·fel
enkelvoud meervoud
naamwoord tafel tafels,tafelen
verkleinwoord tafeltje tafeltjes

Zelfstandig naamwoord

tafel v/m

  1. een meubelstuk met een of meer poten, bedoeld om dingen op te zetten
    Zullen we de tafel buiten zetten? Dan kunnen we vanavond buiten eten.
  2. (verouderd), tabel
    In de lagere school leert men de tafels van vermenigvuldiging
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Iets van tafel vegen.

Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
tafelen

tafel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tafelen
    Ik tafel.
  2. gebiedende wijs van tafelen
    Tafel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tafelen
    Tafel je?

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen