tafel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ta·fel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | tafel | tafels,tafelen |
| verkleinwoord | tafeltje | tafeltjes |
Zelfstandig naamwoord
- een meubelstuk bedoeld om iets op te zetten of leggen. Een tafel bestaat uit een vlak dat, afhankelijk van de uitvoering, ondersteund wordt door een of meer poten of schragen, of op andere wijze gesteund of bevestigd is, bijvoorbeeld aan een muur.
- Zullen we de tafel buiten zetten? Dan kunnen we vanavond buiten eten.
- register[1], lijst[1], tabel, rekenreeks
- In de lagere school leert men de tafels van vermenigvuldiging
- Oorspronkelijke aanwijzende tafel der grondeigenaren en der ongebouwde en gebouwde vaste eigendommen, benevens van derzelver inhouds-grootte, klassering en belastbaar inkomen, volgens het kadaster (Documenttitel in diverse Nederlandse archieven)
- plat stuk materiaal, plaat[1], paneel, vlak
- De objecttafel is het deel van de microscoop waar het preparaat op gelegd wordt. (In deze betekenis anno 2012 nog gangbaar)
- Een tafelberg is een berg met een vlakke top
- Toen hieuw hij twee stenen tafelen, gelijk de eerste (Exodus 34:4)
- (verouderd), schilderij, in deze betekenis afgeleid van plank, plaat. Vgl. tafereel[1]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Iets van tafel vegen., een gespreksonderwerp afkappen Aan tafel gaan, de maaltijd beginnen
Vertalingen
1. meubelstuk met een of meer poten, bedoeld om dingen op te zetten
|
|
iets van tafel vegen
|
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| tafelen |
tafel
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tafelen
- Ik tafel.
- gebiedende wijs van tafelen
- Tafel!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tafelen
- Tafel je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.